Leugens van leerlingen - Kluisbergen

Hasse – toilettelefoon

 

PLONS

O o.

Hasse kijkt in het water van de toiletpot. Daar drijft haar telefoon, netjes in het midden. Snel strekt ze haar arm om hem eruit te halen. De telefoon is helemaal doorweekt.

Haar ouders gaan zo boos zijn.

Maar echt gigantisch boos. Ongeveer zo boos als wanneer Hasse in hun tuin een boom zou omzagen met de kettingzaag van papa, waar ze absoluut niet mag aankomen, en die boom bovendien nog eens op hun eigen huis zou vallen.

Boos dus.

Want een telefoon hoort niet op het toilet. Ze hoort het haar ouders voor de duizendste keer zeggen: telefoon niet naar de kamer en niet naar het toilet. Maar Hasse speelt veel te graag spelletjes op het toilet.

Nu niet meer. Ze krijgt haar telefoon niet meer aan de praat.

‘Hasse!’

Mama roept beneden aan de trap.

‘Is er iets mis met je telefoon? Ik kan je niet bereiken.’

Waarom belt mama haar? Vast om te checken of ze de telefoon niet mee naar de badkamer heeft genomen.

‘Ik weet het niet, die ligt beneden!’ roept ze terug.

‘Waar? Ik zie hem niet.’

Natuurlijk niet, want Hasse heeft hem zelf in haar handen. Ze stopt de telefoon snel in haar achterzak en haast zich naar beneden. In de woonkamer kijkt ze in het rond.

‘Hij moet hier ergens liggen’, mompelt ze.

Ze gooit de kussens in de zetel opzij. En dan pakt ze stiekem haar telefoon en dropt hem in de zetel. Ze wacht tot mama hem opmerkt.

‘Daar!’

Mama duikt naar de telefoon en plukt hem uit de zetel.

‘Wat doet die hier? Je moet niet zo slordig omgaan met je spullen!’

Hasse knikt. Mama moest eens weten.

‘Hij werkt niet’, zegt mama. ‘Daarom kan ik je niet bereiken. En waarom is hij zo nat?’

Hasse begint te blozen. Nu zal de waarheid bovenkomen. Ze maakt zich al klaar voor een woede-uitbarsting. Tenzij…

‘Iemand heeft hem in het water gegooid.’

‘In het water?’

‘Ja, toen ik langs de Schelde wandelde. Gelukkig kon een boot de telefoon nog uit het water scheppen en teruggeven.’

Hasse knijpt haar ogen dicht. Dit gelooft mama natuurlijk nooit. Ze voelt armen om zich heen. Zie je wel, mama is zo boos dat ze Hasse plat gaat knijpen.

Maar dan voelt ze een aai over haar haren.

‘Arm kind! Waarom heb je dat niet gezegd?’

En dan verandert de blik van mama.

‘Dat kan zomaar niet! We bellen meteen de politie!’

De politie? Voor een telefoon die in het toilet is gevallen? Maar Hasse durft niets meer te zeggen. Mama sleurt haar mee naar de telefoon, belt de politie en doet aangifte van de vreselijke misdaad. Hasse is blij dat de politie haar rode wangen niet kan zien.

‘En kan je die persoon beschrijven?’ vraagt de politieagente.

Hasse denkt na. Ja, het was een kleine gedaante, helemaal wit, met een bril. En een knop om door te spoelen.

‘Eh, ik kon hem niet goed zien’, zegt ze. ‘Het gezicht was bedekt met een mondmasker.’

‘Vast iemand die aangetast is door het virus’, zegt de agente. ‘We zullen zien wat we kunnen doen.’

Mama trekt Hasse weer naar zich toe.

‘Ik ben zo blij dat je ongedeerd bent. En als je telefoon niet meer werkt, dan kopen we wel een nieuwe.’

En dan bedenkt ze zich en duwt Hasse van zich af.

‘Maar jij gaat vanaf nu wel twee weken in quarantaine!’

 

Maya – Fiets gekocht

 

Maya kijkt ongeduldig door het raam. Waar blijft die bezorger nu toch? Voor de duizendste keer heft ze het gordijn omhoog en drukt ze haar neus tegen het venster.

‘Waar wacht je op?’

Achter haar staat haar zus Selma.

‘Niets speciaals’, mompelt Maya.

‘Als er niets speciaals is, sta ik ook altijd aan het raam te wachten’, grinnikt Selma.

Maar Maya hoort haar al niet meer. Ze ziet een kleine bestelwagen voor hun huis stoppen. Snel loopt ze naar de deur.

De bezorger schuift een reuzengroot pak over het voetpad naar de deur. Maya wrijft in haar handen. Ze bedankt de bezorger en begint meteen aan het karton te scheuren. Al snel komen er grote delen van een fiets tevoorschijn.

‘Heb jij een fiets besteld?’ vraagt Selma. ‘Wauw, en zo’n mooie!’

Maya glundert. Ze zag hem op het internet en ze was meteen verkocht. Het frame staat vol met kleine diamanten die glinsteren in het zonlicht. Iedereen zal opkijken als ze langs komt fietsen.

‘Die kost vast veel geld’, zegt Selma.

‘Ja, dat denk ik ook’, zegt plots een boze stem achter hen.

Papa staat met gekruiste armen naar hen te kijken. Juist, dat was Maya nog vergeten, ze heeft helemaal niets gezegd tegen haar ouders. Maar ze heeft wel hun kredietkaart gebruikt.

‘Wie heeft die fiets besteld?’ vraagt papa.

Maya wijst naar haar zus.

‘Selma!’

Over het algemeen werkt het vrij goed als ze de schuld op haar zus steekt. Maar deze keer lijkt het niet te lukken, want Selma is niet van plan ervoor op te draaien.

‘Niets van, het was Maya!’

Papa kijkt van de een naar de ander.

‘Het kan me niet schelen’, zegt hij. ‘Jullie sturen die fiets nu terug.’

Maya gaat teleurgesteld zitten. Zo’n mooie fiets terugsturen? Ze denkt er niet aan!

‘Zal ik je helpen?’ vraagt Selma.

Maya kijkt haar argwanend aan. Waarom zou ze dat doen? Maya heeft net de schuld op haar proberen af te schuiven. Toch knikt ze.

‘Maar dan is de fiets van ons allebei.’

Maya haalt haar schouders op.

‘Oké. Maar er zal geen fiets zijn. Want we moeten hem terug sturen.’

‘We hoeven deze fiets niet terug te sturen.’

‘Hoezo?’

Selma wijst naar de voortuin van hun oude buurman. Daar staat een verroest vehikel met twee bijna platte banden.

‘We sturen gewoon een andere fiets terug!’

‘Ik denk niet dat ze dat zullen geloven’, zegt Maya. ‘En ik denk ook niet dat onze buurman zijn fiets kwijt wil.’

‘Ach, hij gebruikt hem nooit’, zegt Selma. ‘Hij heeft er al jaren niet meer op gereden. Pak jij de fiets, ik zorg voor iets anders.’

Zonder nog een antwoord af te wachten, vertrekt Selma. Maya twijfelt. De fiets van de buurman? Dat zal hij niet leuk vinden. Maar Selma heeft wel gelijk: hij rijdt er nooit op, dat ding staat er maar te vergaan.

Ze werpt nog een blik op haar nieuwe fiets en haar ogen beginnen te twinkelen. Die wil ze echt niet kwijt. Ze sluipt naar de tuin van de buurman en duwt de fiets naar hun garage. Daar staat Selma haar al op te wachten, met een spuitbus in haar handen.

‘Zilver’, grijnst ze. ‘Papa heeft die vast ook niet meer nodig.’

Het duurt niet lang voor ze de hele fiets vol diamanten hebben gespoten. Daarna stoppen ze hem in de doos waarin Maya’s fiets was geleverd. De nieuwe fiets verstoppen ze naast de garage.

‘Als we lang genoeg wachten, weet papa niet eens meer hoe onze echte fietsen eruit zien’, knipoogt Selma.

De volgende dag staan de zussen opnieuw aan het raam. Deze keer wachten ze tot iemand van de pakjesdienst de fiets weer komt ophalen. Papa knikt tevreden wanneer ze de doos aan de bezorger meegeven, blij dat zijn geld zal worden teruggestort. Maya sluit snel het gordijn wanneer de fiets uit de doos valt.

Gelukt, papa heeft niets gezien. Maar hun buurman blijkbaar wel. Boos komt hij uit zijn huis gerend.

‘Waar gaat mijn fiets naartoe?’

Hij komt net te laat, want de bestelwagen start zijn motor en rijdt weg. Met zijn fiets. De buurman gooit er nog een bloempot achteraan, maar hij mist jammerlijk. Zijn hoofd is helemaal rood.

‘Die gaat snel bij ons terechtkomen’, mompelt Selma.

‘Dat hoeft niet’, zegt Maya. ‘Ga jij hem even kalmeren. Zeg maar dat je weet wie erachter zit.’

‘Wat? Ben je gek?’

‘Doe nu maar.’

Terwijl Selma aarzelend naar buiten gaat, rent Maya naar de garage. Ze neemt de spuitbus en loopt naar hun buurman aan de andere kant. De boze buurman, noemen ze hem altijd, want hij is van het type dat ballen lek steekt en dan teruggooit. Hij heeft ooit gedreigd met een rechtszaak omdat de haag een centimeter te veel langs zijn kant stond. En o wee als Maya en Selma een pyjamafeestje houden, dan belt hij de politie voor nachtlawaai.

Ze houdt de spuitbus voor zich uit en spuit een beetje op zijn oprit en zijn garagedeur. Dan is ze snel weer weg. Wanneer ze bij Selma en hun oude buurman komt, houdt ze de spuitbus achter zich.

‘Ik denk dat ik weet wie je fiets heeft bespoten en weggegeven’, zegt ze hijgend.

‘Wie?’ raast de buurman. ‘Die neem ik graag eens onder handen!’

Maya knikt naar het huis van de boze buurman.

‘Kijk maar eens naar de oprit.’

Veel meer woorden hoeft ze er niet aan vuil te maken. De oude buurman briest wanneer hij de zilveren verf ziet.

‘En op de garage ook al!’ roept hij.

Hij stroopt zijn mouw op en draaft met dreunende passen naar het huis. Selma geeft Maya een vuistje.

‘Ik denk dat wij beter even naar binnen gaan. We maken morgen wel een tochtje met onze nieuwe fiets!’